Skip to main content
Welkom op de
website van
Mireille Geus




NET UIT:

Wie is Mireille Geus?


Mireille Geus (geboren in Amsterdam, 1964) schreef in 2002 haar eerste kinderboek. Dat kwam in 2003 uit bij uitgeverij Lemniscaat en heet ‘Virenzo en ik'. In 2004 kreeg ze 'Vlag en Wimpel' van de Griffeljury voor dit boek. Met haar tweede boek 'Big' uit 2005, won ze zelfs de Gouden Griffel 2006!!!

'Virenzo en ik' en 'Big' zijn alle twee vertaald in het Duits en uitgekomen bij uitgeverij Urachhaus.
'Big' kwam ook uit in Litouwen, Japan en Amerika en is verschenen als luisterboek bij uitgeverij Karakter.

In juni 2007 kwam haar boek ‘Naar Wolf’ uit in de Kidsbibllotheek.

Voor twee andere uitgeverijen, Zwijsen en Maretak, schrijft Mireille ook boeken. De namen van deze boeken vind je bij 'Alle boeken op een rij'.

Naast kinderboeken schrijft Mireille Geus ook voor jeugdtheater. Hoewel ze dit meer deed toen ze nog geen boeken schreef. Ze maakte toneelstukken voor groepen als Kalebas producties uit Haarlem, Steil uit Amsterdam, Saga uit Utrecht en Van Santen uit Sassenheim. Ze schreef ook ooit wat voor Sesamstraat. En maakte enkele afleveringen voor de kleuterserie ‘Guppie' op Kindernet. Verder schreef ze een hoorspel van 50 minuten voor de Tros met de titel 'Vuurwerk'. Mireille Geus geeft les aan de Schrijversvakschool Amsterdam. Dat is een vakopleiding tot schrijver voor volwassenen. Verder heeft ze een praktijk als individuele schrijfcoach, moeilijke woorden om te vertellen dat ze met een persoon tegelijk werkt aan het heel goed maken van teksten, soms zijn dat verhalen, soms boeken, soms teksten die bedrijven gebruiken om te vertellen hoe geweldig ze zijn.

Ze schrijft haar boeken en verhalen en doet haar werk als coach in het fort bij Vijfhuizen, haar werkplek. Veel foto's op deze site zijn daar genomen. Ontspannen doet ze in haar huis en haar tuinhuis. Mireille Geus is getrouwd, woont in Haarlem en heeft twee kinderen. Een zoon en een dochter. Ze heeft een aquarium vol vissen en twee katten, twee broertjes.


Weetjes


Wist je dat...

img01

Wist je dat Mireille getrouwd is en twee kinderen heeft?

img02

Wist je dat Mireille houdt van wandelen en koken en eten? Ze houdt ook van kamperen en in de zon liggen. En natuurlijk van haar man en kinderen. En heel veel ook van verhalen verzinnen en ze opschrijven.
Het moeilijkste van schrijven vindt ze het om een mooi verhaal te bedenken. Het opschrijven van het verhaal is altijd fijn, het afmaken en afwerken van het verhaal soms behoorlijk lastig.

img03

Wist je dat Mireille 172 cm lang is? Haar lievelingskleuren zijn paars, roze en rood. Maar zwart moet ze er ook bij noemen, want die kleur draagt ze het meest.

img04

Wist je dat Mireille twee katten heeft en dat ze best rare namen hebben?
Ze heten Garp en Tinker.
In haar huis houden de mensen veel van films en van boeken.
Garp heet zo omdat 'Het leven volgens Garp' een boek is waar Mireille van geniet. De kat Garp heeft een heel fijn leven waar iereeen in huis van geniet.
Tinker is door de dochter van Mireille vernoemd naar Tinkerbell, het elfje uit de film over Peter Pan.

img05

Wist je dat Mireille in een fort schrijft? Op dat fort heeft zich een spannend verhaal afgespeeld, tenminste dat heeft ze bedacht en daar is een boek van uitgekomen.
Dat boek heet 'Vlucht'. Het is geschikt voor kinderen van 10 tot 13 jaar. Het boek is te koop op het fort in Vijfhuizen. Je kunt dan meteen op het fort komen kijken. Niet bij haar binnen natuurlijk, want ze wil wel gewoon rustig kunnen werken!

img06

Wist je dat Mireille houdt van wandelen en koken en eten? Ze houdt ook van kamperen en in de zon liggen. En natuurlijk van haar man en kinderen. En heel veel ook van verhalen verzinnen en ze opschrijven.
Het moeilijkste van schrijven vindt ze het om een mooi verhaal te bedenken. Het opschrijven van het verhaal is altijd fijn, het afmaken en afwerken van het verhaal soms behoorlijk lastig.

img07

Wist je dat Mireille 172 cm lang is? Haar lievelingskleuren zijn paars, roze en rood. Maar zwart moet ze er ook bij noemen, want die kleur draagt ze het meest.

img08

Wist je dat Mireille twee katten heeft en dat ze best rare namen hebben?
Ze heten Garp en Tinker.
In haar huis houden de mensen veel van films en van boeken.
Garp heet zo omdat 'Het leven volgens Garp' een boek is waar Mireille van geniet. De kat Garp heeft een heel fijn leven waar iereeen in huis van geniet.
Tinker is door de dochter van Mireille vernoemd naar Tinkerbell, het elfje uit de film over Peter Pan.

img09

Wist je dat Mireille in een fort schrijft? Op dat fort heeft zich een spannend verhaal afgespeeld, tenminste dat heeft ze bedacht en daar is een boek van uitgekomen.
Dat boek heet 'Vlucht'. Het is geschikt voor kinderen van 10 tot 13 jaar. Het boek is te koop op het fort in Vijfhuizen. Je kunt dan meteen op het fort komen kijken. Niet bij haar binnen natuurlijk, want ze wil wel gewoon rustig kunnen werken!

img10

Wist je dat Mireille houdt van wandelen en koken en eten? Ze houdt ook van kamperen en in de zon liggen. En natuurlijk van haar man en kinderen. En heel veel ook van verhalen verzinnen en ze opschrijven.
Het moeilijkste van schrijven vindt ze het om een mooi verhaal te bedenken. Het opschrijven van het verhaal is altijd fijn, het afmaken en afwerken van het verhaal soms behoorlijk lastig.

img11

Wist je dat Mireille 172 cm lang is? Haar lievelingskleuren zijn paars, roze en rood. Maar zwart moet ze er ook bij noemen, want die kleur draagt ze het meest.

Foto's


In en rond Kunstfort Vijfhuizen...

img01

img03

img04

img05

img06

img07

img08

img09

img10

img11

img12



Portretten

img01

img02

img03

img04

img05



Mireille wint de Gouden Griffel!

img01

img02

img03

img04

img05

img06

img07

img12

img13

img14

img15

img16

Alle boeken op 'n rij


Klik op de boeken voor meer info!

Fragmenten



Hoofdstuk 7. Koude douche.


Jan.

'Virenzo!' Jan roept tegen de wind in naar de dichte gordijnen, de dichte deur. Hij drukt zijn pet op zijn hoofd. De wind wil hem telkens van zijn hoofd halen. Hij blaast onder zijn klep, waait langs zijn hoofd en loeit langs zijn oren. Maar Jan steekt er een stokje voor. Iedere keer drukt hij ruim op tijd de pet stevig over zijn haren. 'Virenzo!'
Het lijkt wel alsof de wind het geluid uit zijn mond weer terugduwt, zijn keel in. 'Virenzo! Virenzo!'
Het klinkt heel zacht, terwijl hij een rood hoofd heeft van het schreeuwen.
Jan tikt op het ruitje in de voordeur. Giechelt daar iemand?
Hij gaat op zijn tenen staan en gluurt tussen de kier van het gordijn door in de gang. Niets te zien.
Hij drukt zijn hoofd nog iets dichter tegen de deur en zijn pet waait af. Hij rent erachteraan, pakt net mis en weer, net mis, maar kan gelukkig nog precies voordat het rode ding de tuin uitwaait het met zijn voet in bedwang houden.
Virenzo zal toch niet nog slapen? Of zou hij nog boos zijn? Dan had híj meer reden om kwaad te zijn, want Virenzo had echt rotdingen gezegd.
Nee, Virenzo is vast nog zijn regenjas aan het zoeken en dan propt hij ondertussen een boterham naar binnen, waardoor hij niet kan roepen.
Jan wacht voor de deur. Straks kijkt Virenzo uit het raam waar hij blijft. Of misschien doet hij de deur open om te zien of hij al de hoek van de straat om komt racen.
'Had je wat?' zou hij dan zeggen.
Maar de deur blijft dicht. Hij ziet hoe de minuten op zijn horloge voorbij kruipen. Als hij nu niet gaat, komt hij te laat.
Dan bel ik nog een keer aan , heel lang en heel hard en als hij dan niet komt, ga ik.
Jan doet wat hij zich heeft voorgenomen. Er gebeurt niks. Dus springt hij op zijn fiets en rijdt weg.

Af en toe geeft de wind hem een duw.Vandaag is er geen sprake van zonder handen rijden. Jan kijkt naar voren terwijl hij fietst. Misschien ziet hij Virenzo straks fietsen. Hij zal zijn hand opsteken en roepen: 'waar was je nou?' Dan stond zijn horloge verkeerd of zo.
Ze hebben al zo vaak even ruzie gehad. Als ze elkaar daarna weer zien, is het over. Of in ieder geval doen ze weer gewoon als altijd.
In het begin voelt het nog als 'doen alsof' alles weer gewoon is. Maar al snel is het weer gewoon. Ze hoeven er ook nooit meer over te praten.
'O nee!' Daar gaat Jan zijn pet weer, voor de tweede keer vandaag.
De pet gaat met een vaart over de weg, naar de andere weghelft. Waait omhoog, schuurt langs de grond. Jan gooit zijn fiets neer. Hij kijkt even naar links en naar rechts of er wat aankomt en zet een sprint in. Maar de wind is onberekenbaar en Jan pakt telkens net naast de pet.
Een snel passerende auto maakt het nog erger. Door de extra wind waait de pet een sloot over, een weiland in en daar krijgt de wind helemaal vrij spel. Al snel is de pet niet meer dan een stip aan de horizon. Zijn ouders zullen wel kwaad zijn, net een nieuwe pet en nu al kwijt.
Fietsen moet hij. Jan trekt zijn kraag omhoog en trapt. Nou is hij ook nog te laat.


Virenzo.

Ik werd al om vijf uur wakker, toen het nog stikdonker was. Ik was nog boos en het werd erger. Om te beginnen was ik nog boos op Jan. Verder moest ik erg nodig plassen, zo nodig dat ik eruit zou moeten.
Naast wassen met koud water was het het ergste om in alle vroegte op je blote voeten uit je warme bed te moeten om via het koude zeil en de koude tegels naar de wc te gaan. Daar moest je dan op de koude bril zitten, zodat je met je ogen nog halfdicht kon plassen.
Ten derde was het zeildag. Soms was die dag redelijk door te komen, maar ik hoorde meteen, terwijl ik mijn ogen nog dicht had, dat het vandaag keihard waaide.
Ik ging eruit en deed op de wc wat ik moest doen. Toen kreeg ik een goed idee. Als ik nu eens ging douchen. Lekker lang warm douchen! Mijn moeder lag nog diep te slapen en zou er niets van merken.
Ik wist zeker dat mijn humeur er een stuk beter van zou worden en voor ik het wist stond ik onder de gloeiend hete stralen. Wat had ik dat gemist! Met een beetje zeep van mijn moeder erbij, genoot ik.
Maar niet lang, want opeens werd het water koud. Ik draaide aan de warme kraan, ik draaide aan de koude kraan, ik draaide aan beide kranen, eerst alle twee dicht en dan weer open. Maar het hielp niet. Toen wist ik wat het betekende. Er was iemand wakker en die had beneden in de keuken de warme kraan aan gezet, want dan bleef het water in de badkamer koud.
Maar wie was die iemand?
Als het mijn zus was of mijn broer, dan zou ik er voor een keer geen stennis over maken. Maar als het mijn moeder was… Snel sloot ik de kranen en droogde mij af.
Opeens stond mijn moeder in de badkamer. Ik sloeg snel een handdoek om mijn billen. Ik voelde mijn hart in mijn keel kloppen.
'Virenzo!'
'Ja, mam.'
Honderden smoezen schoten door mijn hoofd. Het was koud water geweest, hij was al slaapwandelend in de badkamer terechtgekomen, hij sliep nog steeds, hij dacht dat de straf er al op zat, hij had met plassen een ongelukje gehad en had met koud water zijn benen even afgespoeld, hij had gedroomd dat er alleen koud water uit de kranen kwam en dat het geen kwaad kon eronder te gaan staan.
'Wat doe je daar?'
'Douchen, mam.'
'Met koud water?'
Ik twijfelde. Zou ze gemerkt hebben dat ik met … 'Met warm, mam.'
'Wat hadden we daarover afgesproken, Virenzo?'
Ik zei niets. Wat viel er nog te zeggen?
'Weet je, Virenzo…'
'Nee, mam.'
'Je mag voortaan elke dag douchen.'
Ik keek naar het gezicht van mijn moeder, het stond als het masker dat juf laatst op school had laten zien, een dodenmasker, onbewogen.
'Elke dag mag je douchen, jongen. Koud douchen, begrijp je?'
'Ja, mam.'
'Laat dat nu maar even zien.'
Ik deed de kraan aan en ging eronder staan. Toen ik eruit kwam rilde ik. Over mijn hele lichaam had ik kippenvel.
Mijn moeder stond nog in de badkamer en huilde.'Waarom laat je mij dit doen?'
Ik zei niets, want ik wist het antwoord niet.
'Denk je dat ik het leuk vind om dit te doen?'
Ik schudde mijn hoofd. Opeens keek zij mij recht in mijn ogen.
'Virenzo. ' zei ze met een heel andere stem.
'Ja, mam.'
'Sorry, ik ben te ver gegaan.' Haar stem klonk vlak.
'Je dwingen is..is... teveel. ' Ze aaide even over mijn hand. 'Bij mij thuis ging het altijd zo. Ik wil het anders doen. Sorry.'
'Goed, mam.'

Toen ik beneden kwam had ze brood voor mij gemaakt en een stuk van een reep erbij gedaan.
Ik pakte de spullen op en liep naar de gang. 'Dag, mam.'
Ze liep naar mij toe aan legde haar hand op mijn schouder.
'Dag jongen. Dag lieverd.'
Ik trok mijn winterjas aan, die grote, zwarte, zware jas, en stapte op de fiets.
De wind blies mij direct keihard tegen het tuinhek. Met mijn been en hand ving ik de klap op. Mijn been voelde beurs en mijn vinger begon meteen dik te worden. Ik opende het hek en begon te trappen. Fietsen moest ik, fietsen, tegen de wind in.


1 NAAR BED, NAAR BED.

Lot zit op de bank.
Ze leest een boek.
Het is leuk.
Dan staat mam op.
“Nu naar bed, Lotje.” zegt mam.
“Nog niet.” zegt Lot.
“Het is tijd.“ zegt mam.
Mam tilt Lot op.
Ze loopt met haar de trap op.
“Ik heb geen slaap.” zegt Lot.
“Nee, je hebt nooit slaap,” zegt mam.
“Ik wil echt niet.”
“Nee, dat weet ik.” zegt mam.
“Ik ben bang.” zegt Lot.
“Ja, schat, maar het moet toch.“
Mam stopt Lot in bed.
Ze geeft haar een kus.
“Blijf je bij mij tot ik slaap, mam?”
“Nee Lot, nu niet.” zegt mam.
Mam zit op de rand van het bed.
Ze gaapt.
“Ben jij moe?” zegt Lot.
“Ja, ik ga zo naar bed.”


2 BANG ZIJN.

Lot pakt haar zakdoek.
Ze bijt er in.
Haar zakdoek troost haar als ze bang is.
“Ben jij nooit bang, mam?”
“Zo vaak, Lotje.”
“Voor wat?” vraagt Lot.
Mam is lang stil.
Dan zegt ze “Voor heel veel.”
“Wat doe je dan?”
“Dan denk ik dat ik groot ben.”
“Maar je bent al groot!”
“Heel groot.” zegt mam en ze wijst omhoog.
Ze staat op.
Mam geeft Lot nog een kus.
“Dag Lot, slaap goed.”

Mam loopt naar de gang.
Lot begrijpt mam niet.
“Is dat fijn?” roept Lot nog.
“Wat moet fijn zijn,Lot?“
Dat je denkt dat je groot bent
Ja, schat, heel fijn.”
“Geef je zo nog een kus?”
“Dat doe ik, dag Lot.”

Lot is in alleen haar bed.
Ze bijt op haar zakdoek.
In de hoek hoort ze iets.
Ze wil niet bang zijn.
Maar de kast lijkt wel een mens.
Met een boos hoofd.
Haar gordijn lijkt wel een spook.
Met armen van stof.
Lot hoort weer iets in de hoek.
Is het een muis?
Een dief?
Een spook?

Dan denkt Lot dat ze iets voelt.
Is het een hand?
Legt iemand een hand op haar dekbed?
Ze maakt zich heel klein.
Zo klein als ze maar kan.
Ze kijkt naar haar lijf.
Ze is klein.
Ze is dun.
Ze is niet groot.

Ze bijt hard op haar zakdoek,
“Ik wil groot zijn,” denkt ze.
Ze hoort nog steeds iets in de hoek.
Een muis!
Een dief!
Een spook!

Ze wil niet meer bang zijn.
Ze heeft erg veel slaap.
“Ik ben heel groot,” denkt Lot.
Ze gaapt.
“Heel groot,” denkt Lot voor ze in slaap valt.


Hoofdstuk 2 - Alle dingen plus ontelbaar.

'Welkom', roept Vikki, 'allemaal van harte welkom op het SKKD. Wie weet wat SKKD eigenlijk betekent?'
Niemand zegt wat.
Reina kijkt naar de grond. Ze voelt de warme hand van Vikki op haar schouder.
Vraag het niet aan mij, denkt ze, alsjeblieft, alsjeblieft. Dan kijkt iedereen naar haar en zien ze hoe klein ze is.
'Supersnelle Kinder Kampeer Domein', zegt Vikki. 'Maar dat is zo'n mond vol. Dus we zeggen gewoon SKKD. Gesnopen?'
Niemand zegt wat.
'We gaan elke dag twee keer een gave activiteit doen. Dat kan kano varen zijn, springkussen, watergevecht, leuke spelletjes --> [Author:E] , macramé, GPS, voetballen, volleyballen, dammen, toneel spelen, liedjes maken, je eigen film monteren, knopen leren met examen, waterglijbaan of zeepglijbaan, zwemmen, fietsen, wandelen, noem maar op. Lijkt jullie dat leuk?'
Een paar kinderen roepen zacht, ja.
'Ik hoor niks', schreeuwt Vikki, 'lijkt jullie dat leuk? ' Iedereen schreeuwt terug, jaaaaa!
Reina doet ook mee.
'Dat hoor ik graag', zegt Vikki en lacht. Vikki kijkt even naar Reina en zegt 'Jij kan hard schreeuwen zeg!' Reina voelt hoe haar hoofd langzaam rood wordt. En net op dat moment ziet Reina dat het vervelende meisje met haar zusje weer zo raar naar haar kijken.
'Alle spellen zijn per leeftijd iets verschillend', gaat Vikki door, 'Als je tien bent kan je meer aan dan als je zeven bent, dus dat is logisch. Daarom hebben we groepen, leeftijdsgroepen. De 4-7 jarigen mogen daar gaan staan.' Vikki wijst naar de groene tent waar een jonge leidster voor staat. Die zwaait vrolijk.
'De 7-9 jarigen mogen naar Martin toelopen.' Martin steekt zijn arm omhoog en maakt rare sprongen om zichzelf heen en geeft harde indianen schreeuwen.
Reina moet meteen lachen. Ze kent Martin van vorig jaar en het jaar daarvoor. Hij is heel aardig, maar vooral gek, echt gek. Hij kan iedereen midden in de nacht wakker maken, omdat hij zin heeft om warme worstenbroodjes te eten. Of een suikerspin machine huren en er zelf wel twintig eten, meer dan iedereen. Vikki werkt vaak met hem samen. --> [Author:E] Zij let erop dat iedereen zijn tanden poetst na zo'n dag van suikerspinnen eten en spreekt met Martin af dat de kinderen een nachtje door mogen slapen. Hij let eigenlijk nooit echt goed op en als iemand pijn heeft, of zich ziek voelt of naar huis wil dan kan hij er vooral veel grapjes over maken. Sommige kinderen vinden dat wel leuk. Maar andere kinderen hebben daar niks aan. En dan is het fijn dat Vikki er is. Zij wrijft pijnlijke knieën, luistert goed en knuffelt wat.
Reina ziet met lichte opluchting dat het grote meisje en haar zusje naar Martin toelopen.
Ze hoort het grote meisje tegen Martin zeggen, 'dit is Roos. Wil je heel goed op haar passen? Ze is nogal…' Maar Martin trekt Roos al naar zich toe kietelt haar.
'Wie weet hoe dat zit met de overlap leeftijd?'roept Vikki.
Niemand zegt wat.
'Zal ik het dan maar zeggen?'vraagt ze.
Als niemand wat zegt, gaat ze door: 'de overlap leeftijd zorgt ervoor dat je altijd in de groep zit die het beste bij je past. Alle 9-12 jarigen mogen hier naar toe, vandaag gaat onze groep lekker in de ochtend boogschieten en in de middag vliegers maken. Wie heeft daar geen vreselijke zin in?'
Reina kijkt verrast op. Dus Vikki heeft dit jaar alléén een groep? En gelukkig, zíj zit bij haar! Maar wie werkt er dan samen met Martin?
Veel tijd heeft ze niet om er verder over na te denken, want ze krijgt een duw van het grote meisje, die net haar zus bij Martin heeft gebracht.

'Wegwezen, uk, naar die groep.' Ze wijst naar Martin. 'Jij hoort hier niet. Je staat verkeerd.'
Het meisje staat vlak voor Reina. Haar zwarte haar steekt meer dan een kop boven haar uit. --> [Author:E]
'Nee', zegt Reina, 'Ik sta hier prima.'
Het meisje komt nog dichterbij. 'Hoe oud ben je dan? Zes? Net als mijn zusje?'
'Negen', zegt Reina en strekt haar rug. Ze probeert niet teveel omhoog te kijken, naar haar op. Maar ook niet teveel voor zich uit.
'Dan hoor jij in de groep 7-9 jarigen.'
'Nee', zegt Reina, 'ik ben geen jonge negenjarige meer.'
'Wie zegt dat?'
'Ik.' Reina heeft met haar moeder goed de groepsindelingen doorgelezen. Elke groep heeft een jaar dat overlapt, als je net negen bent of als je een beetje jong bent voor je leeftijd mag je bij de jongere kinderen gaan zitten, je mag zelf kiezen maar de leiding kan je ook in een jongere leeftijdsgroep plaatsen, zonder dat je meteen bij alleen ukkies komt te zitten. Reina's moeder en Reina zelf eigenlijk ook, vonden dat ze in de oudste groep hoorde dit jaar.
'Dus je hebt al tafels op school?'
'Ik kan heel goed rekenen en schrijven', zegt Reina trots.
'En hardlopen? , vraagt het meisje.
'Ook hardlopen', zegt Reina, 'en tekenen.'
'Hard gillen, daar ben ik de beste in', zegt het meisje.
'Dingen onthouden', zegt Reina en klopt met haar vlakke hand op haar borst.
'Voor negen jaar ben je wel belachelijk erg klein', zegt het meisje langzaam, 'vind je niet?'
Reina voelt dat ze het warm krijgt. Heel erg warm.
'Toch ben ik al ruim negen, ik ben gewoon klein.'
'Zeg dat wel, uk!'
Het meisje duwt haar boven lijf vooruit.
'Stop', zegt Reina, 'niet doen.' Reina denkt snel na. 'Ik kan heel goed een vos nadoen.'
'Een kat', zegt het meisje. Opeens staat het zusje weer naast haar en trekt aan haar armen. 'Roos, je moet naar Martin gaan. Hij let nu op je.' Maar Roos blijft schudt heel hard nee en blijft aan haar armen trekken. 'Moet Olga je tillen?' Roos knikt heel hard ja.
'Kan ze niet praten? ', vraagt Reina.
'Bemoei je er niet mee', zegt Olga.
'Alle dieren',zegt Reina.
'Alle dieren', zegt Olga. Zij tilt haar zusje Roos op.'en één erbij.'
'Alle dieren, alle vakken, alle dingen plus ontelbaar', zegt Reina. Ze lacht tevreden.
'Alle dieren, alle vakken, alle dingen plus ontelbaar en altijd één meer dan jij.' Olga spuugt op de schoen van Reina. Het speeksel glijdt er langzaam vanaf.
'En ik kan iets dat jij niet kan, zeker weten', zegt Reina.
'Wat dan?', vraagt Olga op een pesterige toon. Ze geeft haar zusje Roos een snelle kus.
Reina denkt diep na.
'Zie je wel, je weet het niet eens', zegt Olga 'Het is niet zo, ukkie.' Olga lacht gemeen en ook het bijzondere zusje lijkt te lachen.
'Vliegen', zegt Reina, 'ik kan vliegen.'


Hoofdstuk 1

Opeens staat ze daar. Aan de overkant. Tegen de lantarenpaal.
Een dik meisje met blond krullend haar. Dat ziet er gek uit: zo'n prachtige bos krullen boven op dat lompe lichaam. Dat past niet bij elkaar.
Ze leunt tegen de lantarenpaal en kijkt naar de spelende kinderen, net als ik. En naar mij. Ik gluur soms even naar haar. Dan kijkt ze steeds de andere kant op.

De volgende dag staat ze er weer. Op precies dezelfde plek.
Zij kijkt. Ik kijk. Wij kijken.
Dan zegt Rory tegen Sam en Len: 'Zullen we lummelen?' De jongens knikken.
'Wie wil er de lummel zijn?' vraagt Rory. Lange, dunne, bleke Rory.
Hij kijkt naar het dikke meisje naast de lantarenpaal. Ze knikt en loopt naar de jongens toe. Ik houd mijn adem in.
Meteen krijgt ze de bal keihard tegen haar onderbenen. Ze zegt niks. Pakt de bal op en gooit hem naar Rory. Hij gooit haar direct weer af. Keihard. Ze lijkt het niet te voelen. Pakt de bal op en gooit hem naar Rory.
Knal! Nu gooit ze de bal naar Len. Hij aarzelt, de bal in zijn handen, en gooit hem dan naar Rory. Weer gooit Rory keihard raak op haar onderbenen. Langzaam pakt ze de bal op en loopt op Rory af. Ze geeft hem de bal.
'Morgen weer?' vraagt ze vriendelijk.
Die is niet bang uitgevallen.
Rory lacht smalend. 'Mij best.'
Als ze hem de rug heeft toegedraaid tikt hij tegen zijn voorhoofd en kijkt grijnzend naar Len en Sam.

De volgende dag gebeurt er precies hetzelfde. Ze komt, Rory gooit, keihard.
Ik kan er bijna niet naar kijken, maar ik kan ook niet weglopen. Ik móet het zien.
Als ze die tweede dag de bal aan Rory heeft teruggegeven, loopt ze niet naar de lantarenpaal aan haar kant. Ze gaat naast mij staan.
Ik zeg niks. Wat moet ik zeggen?
Ze staat een hele tijd stil naast mij. Draait zich dan langzaam om en verdwijnt in de bakkerszaak.
Even later komt ze naar buiten met een croissant in een zakje. Ze eet gulzig. Ik hoor haar smakken.
Als ze hem op heeft loopt ze opnieuw de bakkerszaak in. Weer buiten begint ze aan een tweede croissant. Ze haalt er achteloos nog een uit en geeft die aan mij. Ik pak 'm aan en neem er een hap van. Hij is nog warm. We eten en zeggen niks.

De dag erna staat ze bij de lantarenpaal voor de bakkerszaak. Ik schrik. Dit is mijn plek. Ze staat op mijn plaats. Maar ze maakt ruimte voor me en geeft me met een vanzelfsprekend gebaar een croissant aan.
Wij kijken voor ons, naar Rory, Len en Sam. Kijken en eten. Alleen maar dat.
Ze doen een soort verstoppertje. Maar dit verstoppertje houdt niet op als je iemand gevonden hebt, je moet diegene ook pakken. Ze spelen dit spel iedere dag.
In het dorp en in de buurt is verder niet veel te doen. Iedere dag kijk ik ernaar en ik weet hoe snel die bleke Rory kan rennen, maar zich goed verstoppen, daar is hij te ongeduldig voor.
Dat doet hij meestal op dezelfde plek. Steeds wanneer ik sta te kijken, hoop ik dat ik mee mag doen. Ik zou Rory meteen besluipen en hem vinden en pakken tegelijk.
De jongens smoezen wat en Rory loopt langzaam naar mij toe. Hij gaat zeker weer aardig doen.
Rory staat voor me. Hij kijkt maar heel even naar mijn schoenen, de schoenen waar hij laatst met de anderen samen zo om heeft gelachen, en vraagt nonchalant: 'Meedoen?'
Hij heeft een mooie stem. Donker.
'Meedoen?' herhaal ik en ik probeer net zo te klinken als hij. 'Waarom?'
'Dan niet', zegt Rory. Hij draait zich om en loopt weg.
'Oké', roep ik tegen zijn rug. Ik loop snel achter hem aan.
Hij kijkt niet om, maar roept tegen de rest van de groep: 'Dizzy is 'm.'
Ze rennen direct alle kanten uit en ik ben er niet op bedacht. Ik ben altijd al langzaam geweest. 'Traag', dat staat ook in mijn schoolverslag.

Ik loop rond en zoek. Rory zit niet op zijn vaste plek. De rest van de groep is ook nergens te zien. Na een kwartier heb ik nog niemand gevonden.
Alle bekende verstopplaatsen ben ik af geweest. Achter het muurtje, langs de spoorbaan, voorbij het hek van de chemische fabriek, waar een bord staat met een doodshoofd erop en met vette letters 'gevaar' eronder.

'Ze zijn 'm gepeerd', zegt een stem achter me.
Ik draai me om.
Zij is het. Haar krullen dansen om haar hoofd.
'O', zeg ik. Dat zeg ik nogal vaak, vooral als ik niet weet wat ik moet zeggen.
'Expres', zegt ze. 'Ze hebben het vast van tevoren afgesproken. Ze hebben je gewoon laten zitten.' Ze zegt het langzaam, alsof ze er plezier in heeft.
'O', zeg ik weer.
Mijn hoofd wordt licht en ik zie sterretjes voor mijn ogen. De wereld draait een beetje.
Dat heb ik vaker, daarom noemt iedereen mij Dizzy. Duizelig. Ik knipper.
'Ik moet ze ook niet', zegt ze.
Ik kijk naar haar.
Ze leunt tegen het bord met 'gevaar' erop.
Ik loop naar haar toe.
Ze heeft mooie tanden. Heel wit.
'Ik zit bij ze op school', zegt ze. 'Bij ze in de groep.'
Ik knik. Dat moet wel. Als ze niet bij mij zit, zit ze bij hen. Er zijn maar twee scholen in het dorp.
'Zijn ze altijd zo?' vraagt ze.
'Zo wat?'
'Zo rottig?'
Ondertussen probeert ze me aan te kijken. Dat lukt niet, want ik kijk over haar heen. Zie alles boven haar hoofd. Maar ik knik wel. Dus zij ziet dat.
'Zullen we even naar mijn huis?' vraagt ze en pakt mij bij de arm. 'Ik heb een klotedorst.'
Ze knijpt.
Ik knik.
'Big', zegt ze als we naast elkaar lopen. Ze blijft voor zich uit kijken.
'Waar?' vraag ik.
Hier lopen nooit biggen. En ik zie er ook niet één.
'Big', zegt ze weer, met haar mollige hand op haar borst.
Nu begrijp ik haar.
'Dizzy', zeg ik. 'Rijmt op Lizzy. Zo heet ik.'


Hoofdstuk 10

Onder het woord IDEEËN op het vel papier stonden inmiddels vijf dingen:

Namaak kinderen B
Oproep plaatsen in landelijk dagblad B
Kinderen kidnappen B
Twee andere scholen in de stad bellen A
Langsgaan bij de twee andere scholen in de stad A

'We hebben twee ideeën, die ik maandag uit kan zoeken', zei Linda.
Ze keek naar de twee jongens. 'Wat denken jullie, is langsgaan beter of bellen?'
Tis keek naar Spijker, hij mocht altijd eerst zeggen wat hij dacht.
'Langsgaan', zei Spijker na een tijdje diep nadenken.
'Waarom?' vroeg Linda.
'Waarom? Nou', zei Spijker, 'dan zeggen we dat we alleen weggaan als we onze zin krijgen. Dan worden ze bang. Dan geven ze wel vier kinderen mee.'
'En jij?' vroeg Linda aan Tis, 'wat denk jij?'
'Langsgaan', zei Tis meteen, 'Ze moeten ons dan echt wegsturen en kunnen niet gewoon ophangen. En jij?'
'Ik denk ook langsgaan', zei Linda, 'Misschien dat het ze meer kan schelen als ze ons zien.'
Linda sprong op. 'Dat gaan we dan doen maandag. Ik zal een superpraatje voorbereiden.
Jullie trekken nette kleren aan. Tis als jij de reis even uitzoekt naar beide scholen en Spijker als jij...’
Tis keek naar zijn moeder. Als ze de taken eerlijk wilde verdelen, maar ze niet écht wat te doen had voor Spijker, maakte ze altijd een grapje.
'als jij je spijkers mee neemt.'
Spijker knikte. 'Dat zijn schroeven, juf.' Spijker had altijd een handvol schroeven in zijn zak, niemand wist waarvoor, hij zelf ook niet. Zijn moeder noemde hem al snel Spijker en dat klonk ook beter dan Schroef. Nu noemde iedereen hem Spijker. Sommigen zelfs Lange Spijker.
'Ik ben geen juf', zei Linda, 'ik ben nu thuis!
Spijker keek naar de woorden op de deur. 'Geen juf? Wel waar', zei Spijker fel, 'een superjuf!'
Linda klopte Spijker zacht op zijn schouder.'Dank je, jongen', zei ze, 'dank je dat jij mij een superjuf vindt. Dat gevoel zal ik woensdag nodig hebben als de inspecteur er is. Maar ik bedoel te zeggen, nu ben ik geen juf, nu ben ik…'Ze wachtte.
'Als ik thuis ben dan ben ik...'
Spijker keek naar Tis. 'Dat weet hij beter', zei hij. Ze lachten alledrie.
Linda liep de keuken in en kwam terug met drie bekers chocomelk.
'Je hebt ook gelijk Spijker, ik moet thuis geen werk doen dat we eigenlijk op school moeten doen, dan raak je ook in de war.'
Spijker knikte. De vorige juf, met een hele moeilijke naam, die was niet zo aardig. Die zei steeds dat Spijker stom was. Gelukkig is ze nu weg en is deze juf zijn juf.
'Denk je dat het gaat lukken maandag?' vroeg Tis voordat hij een grote warme slok nam, 'Zouden deze scholen alles wél snel genoeg kunnen regelen?'
'Ik weet het niet', zei Linda, 'Ik weet het echt niet, ik kan alleen maar hopen.'
'Maar wat denk je?'vroeg Tis.
Linda zuchtte diep. Ze nam een voorzichtige slok. 'Als het niet lukt, dan... dan.'
Ze zei niks meer en staarde in haar beker.
In gedachten verzonken pakte ze de rode stift en draaide 'm rond tussen haar vingers.
'Maar we hebben vandaag en morgen nog, misschien bedenken we nog wat beters.'
'Wat dan?' zei Tis.
'Wat dan? Iets', zei Spijker, 'het komt allemaal voor elkaar. Dat weet ik zeker.'
Hij dronk het laatste slokje uit zijn beker en had een bruine rand op de bovenkant van zijn neus.
'Anders gaan we naar een plan B', zei Tis.
'Of we maken ze na', zei Spijker.
'Of we kidnappen gewoon een paar kinderen', grapte Linda.


Geen kerst.

Met slome passen loopt mam naar haar toe.
Ze kan de sleutel niet vinden en
sjokt terug naar de kamer.
Daar komt ze de sleutel ook niet tegen.
'Aan het haakje!' roept Stien hard en duidelijk.
Mam kijkt haar loom aan, met lege ogen.
Stien wijst.
De ogen van mam gaan naar het haakje.
Ze pakt de sleutel en doet open.
Stien omhelst haar moeder stevig.
Haar moeder duwt haar meteen een beetje weg.
'Je bent koud', zegt mam.
'Ik heb vrij', zegt Stien.
'Nou wil ik een kerstboom,
want het is al bijna kerst.'
'Rustig, rustig', zegt haar moeder.
Ze wrijft door haar ogen.
Die zijn helemaal dik van de slaap.
Haar zwarte haar zit vol vette pieken.
Haar moeder vult de waterkoker,
pakt een theezakje, twee mokken.
'Eerst thee', zegt ze, 'met een koekje.'
Eindelijk wat gezelligheid, denkt Stien.
Mam doet de keukenkast open.
Geen koek, nergens koek.
In het hele huis is geen kruimel te vinden.
Stien denkt aan alle vorige jaren.
Zij en mam, lekker gezellig,
een feestje voor twee, bij hen thuis.
In de middag tv kijken, met zelfgebakken koekjes.
In de avond, de gordijnen dicht, kaasfondue,
met allemaal lekkere dingen er bij.
De hele dag chocola eten.
De kerstverlichting in de tuin.
Vooral in de avond is dat zo mooi, zo stralend.
Stien knippert met haar ogen.
'Wat is er eigenlijk met je?' vraagt ze.
Haar moeder neemt een hele langzame slok.
'Ik ben moe', zegt ze, 'Gewoonweg doodmoe.'
'Zal ik dan alleen een kerstboom halen?
Een kleintje, die ik zelf kan tillen?
Ik zoek de doos met kerstspullen wel.
Die ligt ergens op zolder.
'Als jij te moe bent, kan ik de boom best zelf versieren.'
Haar moeder zucht.
Ze schudt langzaam haar hoofd.
'Waarom niet?' vraagt Stien,
'Ik wil ook best boodschappen doen.
Dan neem ik het karretje mee naar huis.
We kunnen samen een lijstje maken.
Zetten we al ons lievelingseten er op, chocola en koek met nootjes en kerstbrood.'
Weer schudt mam zo traag haar hoofd.


Hoofdstuk 1 Een avond om nooit te vergeten.

'Dit is DE avond', zegt Wing en hij wrijft in zijn grote handen, 'Hier hebben we allemaal op gewacht.'
Nu het donker begint te worden lijkt hij nog meer op een indiaan dan overdag.
'Hebben jullie er net zo'n zin in als wij?' vraagt Jimmy.
Hij kijkt naar de gezichten die zich rondom het kampvuur hebben verzameld en knikt ondertussen met zijn blonde hoofd vol rasta vlechten van 'ja'.
De vlechten zwaaien zwierig om zijn hoofd.
'Waarom zitten jullie hier vanavond?' vraagt Wing', 'Wat kunnen jullie verwachten?' Niemand zegt wat.
Wing maakt met zijn handen een koker voor zijn mond en roept 'Halloooooo!'
'We weten het niet', zegt een jongen die net zijn voortanden heeft gewisseld.
'Het is een geheim', zegt het meisje naast hem zacht, ze heeft heel lang blond haar, 'Een geheime opdracht.'
'Nee, een uitdaging', zegt een grotere jongen hard, 'er stond op de poster, “wie gaat de uitdaging aan?”
'Wat voor een uitdaging?' vraagt Wing.
Niemand zegt wat.
'Dat weten we dus niet',zegt het meisje naast hem zacht.
Weer maakt Wing van zijn handen een toeter en schreeuwt 'Halloooooo! Wakker worden!
Het kampvuur is niet om bij te slapen.
Zien jullie hoe mooi het vuur is?
Horen jullie het hout krachtig branden?
Heb ik geregeld, met mijn Indianenbloed.'
'Ik ben zenuwachtig', zegt Jimmy, 'Wie gaat onze wedstrijd winnen?'
'Ik snap het niet', zegt een klein meisje met sproeten, 'wanneer gaat het nou eindelijk beginnen?'
Ze begint zacht te huilen.
'Zie je nou Jimmy', zegt Wing en hij aait het meisje zacht over haar gladde haar, 'we moeten het nodig allemaal nog eens vertellen. Onze kleine Katinka begrijpt er niks meer van.'
'Je hebt gelijk' zegt Jimmy, 'Pak jij de stokken en
de marshmallows. Dan maken we er een avond van om nooit te vergeten, dat weet ik zeker!'


Hoofstuk 6

Tijmen staat stil in de donkere ruimte. Hij hoort hoe de voetstappen van Rachid en Dirk Jan zich van hem verwijderen, steeds zachter klinken ze, tot hij niks meer hoort, er valt een zware deur dicht en dan is het stil. Heel erg stil. Behalve de stilte is er vooral het donker om hem heen. De pikzwarte duisternis.
Hij zet een stap in de richting waar hij net vandaan dacht te komen en probeert een lichtknopje te vinden op de muur, die koud aanvoelt en onregelmatig.
Zijn hand voelt de kieren en gleuven er op en komt een stuk hout tegen, dat zit van boven naar onderin de muur vast. Hij pulkt aan de rand om te voelen hoe het zit, maar er is geen beweging in te krijgen. Zijn handen gaan nu sneller langs het oppervlak, zoekend, met grotere bewegingen. Hij moet het lichtknopje vinden. Dat zal toch wel op deze hoogte bevestigd zijn? Maar hij voelt niks, alleen muur, hout, geen lichtknopje, geen deur.
Hij snapt niet dat hij de deur nog niet heeft gevonden. Is hij teveel naar rechts gegaan, hij doet een stap naar links en maakt een ruime armbeweging over de muur. Tijmen rilt onwillekeurig. Het is hier niet warm. Hij begint een beetje in paniek te raken. Hij wil er gewoon uit. Nu.
Waar is de deur dan? Hij doet twee stappen naar rechts en maakt een vegende beweging over de muur. Niks, geen deur, geen stopcontact, geen lichtknop. Waarom is het hier zo donker? Dat lichtknopje zal toch niet aan de buitenkant van de ruimte zitten? Of moet je eerst de deur op slot draaien en gaat dan vanzelf het licht aan? Tijmen heeft dat tijdens een vakantie wel eens meegemaakt bij een toilet.
Hij keert zich om en staat met zijn rug tegen de koude muur geleund. Hij wacht. Misschien moet hij even wachten tot zijn ogen aan het donker zijn gewend. Dan vindt hij de deur wel of misschien ligt hier wel ergens een zaklamp. Maar hoe lang hij ook wacht, het donker blijft donker, zwart. Er is geen enkel streepje licht te bekennen in de hele ruimte niet.
Tijmen weet niet eens of er veel ruimte voor hem is. Misschien zit hij in een kast of een ander klein hok. Hij steekt zijn armen recht vooruit en doet een kleine stap naar voren. Hij botst nergens tegenaan. Dan zet hij nog een pas. Met zijn handen wrijft hij even over zijn bovenarmen. Het is koud.
Dapper zet hij nog een stap naar voren. Hij steekt zijn handen naar opzij en botst weer nergens tegenaan. Dit moet meer zijn dan een gangkast. Misschien zit er wel ergens zo'n klein raam met een schietgat. Als hij dat open krijgt dan kan hij wat zien en dan is hij er zo uit. Hij zet nog een pas vooruit en nog een.
Opeens denkt hij dat het misschien toch beter is om bij de muur te blijven waar hij net vandaan kwam. Daar zit de uitgang, hij zet een stap terug. Onzeker blijft hij in het midden van de ruimte staan. Stapt hij de goede kant wel op? Hij heeft nog nooit in zo'n donkere ruimte gezeten. Het is nergens mee te vergelijken. Niet met de nacht buiten, niet met je hoofd onder de dekens houden, niet met je ogen dicht knijpen, dit donker is anders, is echt heel zwart.
Tijmen bibbert. Hij denkt aan zijn warme trui, die hij vanmorgen thuis heeft gelaten. Hij wil er nu echt uit, weg. Naar meneer Akrikez, naar Dirk Jan en Rachid. Naar zijn boek. Naar de bus, naar huis. Hij roept. ‘Help’ is het enige woord dat in hem opkomt. Hij roept het hard: ‘HELP!’ Er lopen hier toch kinderen rond, iemand moet hem wel horen, toch? Zijn stem klinkt angstig, afgeknepen, hij wordt er zelf bang van. Dit is niet leuk meer. Hij kijkt recht voor zich uit en ziet alleen maar zwart en nog zwarter. Nog zwarter? Als hij naar het hele zwarte kijkt, stokt zijn adem in zijn keel.
Hij gelooft niet wat hij ziet. Wat hij ziet dat kan niet. Dat is niet waar. Maar het moet waar zijn. Hij denkt aan het boek ‘Tegengas’. Zijn hart begint als een waanzinnige te kloppen. Hij weet dat het waar is, wat hij ziet. Hij heeft het koud, het is heel heel erg donker en daar is zijn schaduw. Zijn eigen schaduw. Hij herkent zijn rechtopstaande haar, zijn wipneus, zijn brede onderlip. Hij is het.
‘Hallo’, zegt Tijmen zacht, de mond van zijn schaduw beweegt niet mee.
‘Hallo,’ zegt Tijmen nog een keer.
‘VOLG MIJ’, zegt zijn schaduw en begint tegen de klok in rondjes te lopen.
Tijmen aarzelt. Hij wou dat hij wist hoe het nummer negentien verging in 'Tegengas'.
Tijmen knijpt zichzelf een keer stevig in de bovenarm. Meneer Akrikez zegt dat hij veel fantasie heeft, en dat moet wel. Hij ziet zijn eigen schaduw en die praat tegen hem!
‘Kom,’ zegt zijn schaduw en wenkt hem ongeduldig.
Tijmen wordt opeens heel rustig. Hij wil eigenlijk best mee. Hier kan hij nu de uitgang toch niet vinden. Als hij zijn schaduw volgt, gaat hij misschien ergens anders heen. Weg van het donker. Naar andere mensen. Naar een andere tijd.
Tijmen recht zijn rug. 'Goed, ik kom', zegt hij. Hij volgt de schaduw, loopt eerst langdurig rondjes tegen de klok in, totdat de schaduw opeens stopt en Tijmen tegen zijn eigen schaduw opbotst. Of meer, opgeslokt wordt. Ze zijn niet langer twee maar een. Al lijkt de schaduw nu de baas.
Tijmen loopt recht op het allerdonkerste donker af en als hij daar in stapt en doorloopt en nog verder doorloopt hoort hij allerlei geluiden, een vreemd kreunen en hoge fluittonen en muziek maar dan alsof het allemaal veel te snel gaat.
De donkerte maakt een soort draaikolk van zichzelf en die draaikolk kolkt als vanzelf naar een middelpunt en Tijmen voelt hoe hij zonder pardon in de draaikolk wordt gezogen en het is te laat om nog bang te zijn. Het is inderdaad net alsof je in de engste attractie van het hele pretpark bent gegaan en vlak voor je vijftig meter naar beneden zult vallen, bedenkt dat je het niet wilt, dat je het toch echt veel te eng vindt.
Te laat. Veel te laat.


1. Begin van de reis

Zoltan staat voor de spiegel en zucht. Aan zijn sproeten kan hij niks doen, aan zijn rode piekhaar ook niet. Maar dat is niet nodig, want zonder dat haar en die sproeten is hij niet zichzelf, herkent niemand hem. Aan zijn lengte - vrij klein, maar wel stevig gebouwd - wil hij helemaal niks doen. Aan zijn felblauwe ogen ook niet.
Maar de rest. De rest, zijn kleding, dat is te veranderen. Daar kan hij in ieder geval Wolf mee beïnvloeden. Dus staat Zoltan voor de spiegel. Al een hele tijd.
Zijn schoenen zijn nu goed. Eerst had hij z'n witte aan, ook mooi, prima merk, net nieuw en ze zitten lekker. Maar die knalwitte dingen zo onder aan zijn lijf trekken misschien te veel aandacht straks. Leiden te veel af van waar het eigenlijk om gaat. Dus draagt hij nu zijn zwarte, die zitten iets krapper en zijn wat ouder. Niet zo oud dat Wolf ze zou kennen. Daarvoor is het weer te lang geleden dat ze elkaar hebben gezien. Hij en Wolf.
Er komen herinneringen op in zijn kop. Hij schudt ze er meteen weer uit.
Hij heeft zijn schoenen gepoetst en daarna weer wat dof gewreven. Ze moeten er netjes uitzien, maar niet pas gepoetst. Gewoon, nonchalant.
Natuurlijk moet hij nu andere sokken aan. Hij trekt de witte uit, doet een greep in de la en haalt al zijn zwarte sokken eruit. Vier paar. Er is eigenlijk maar één paar geschikt. Hij trekt ze aan en bekijkt zichzelf, zijn voeten, in de spiegel.
Daarna kijkt hij op zijn horloge. Nog ruim een halfuur.
Hij moet opschieten. Als alles zoveel tijd gaat kosten als het uitzoeken van schoenen en sokken, dan komt hij nooit op tijd. De reis zit in zijn hoofd, maar staat ook op een blaadje, keurig uitgeprint. Dat papiertje ligt beneden op tafel en hij neemt het straks mee, voor de zekerheid. Naast het papier ligt zijn strippenkaart en daarnaast zijn mobiel. Ruim drie kwartier duurt de reis. Dus over een dik uur zal hij oog in oog met hem staan. Met Wolf.
Even flitst de kop van Wolf door zijn hoofd. Die grijns. Die grote, grote grijns. Sterke gele tanden als van een echte wolf.
Weer schudt Zoltan zijn hoofd. Eruit, die gedachten. Hij bekijkt zijn kleding, pakt twee spijkerbroeken uit de kast en legt die op zijn bed. Een spijkerbroek is altijd goed. Maar zal hij de meest hippe aandoen of juist die andere? Niet dat het Wolf op zal vallen. Maar toch.
Wat zal Wolf aanhebben?
Zoltan trekt de gewone spijkerbroek aan en bekijkt zichzelf in de spiegel. Van voren en van achteren. Aan de voorkant zie je een vouw die erger wordt als hij gaat zitten. Maar ook als hij staat, zie je hem. De achterkant van de broek zit strak en glad om zijn achterste. Zoltan trekt wat aan de vouw aan de voorkant. Die andere broek heeft dat ook… Zal hij nog kijken of die beter zit? Nee, besluit hij na een blik op zijn horloge.
Nu nog een shirt en een trui. Er zijn eigenlijk maar twee T-shirts die in aanmerking komen: het zwarte met de doodskop en dat andere dat heel langzaam van wit beneden naar rood vanboven gaat. Volgens zijn moeder staat dat mooi bij zijn haar.
Gelukkig is ze niet thuis. Zij zou zich ermee gaan bemoeien. Vragen of hij wel moest gaan. Wat hij ervan verwachtte. Waarom die kleren zo belangrijk zijn.
Dan voelt hij nog meer dat hij wel een meid lijkt, zoals hij bezig is.
Zonder verder nadenken pakt hij het zwarte T-shirt en trekt het over zijn hoofd. Hij heeft het nu al warm. Maar toch moet hij nog een trui aan. Vandaag zal het kouder zijn dan gisteren.
Dus hij moet een trui aan en hij weet eigenlijk wel welke. Er staat 'Dead End' op, met rode druipende letters, de naam van een echt goeie band. Hij is er laatst samen met Remco naartoe geweest. Zijn moeder vond het eerst niet goed: te laat, te ver, meer voor oudere kinderen. Maar ze wist ook wel dat hij veel naar deze muziek luistert en dat die band niet snel meer bij hen in de buurt zal spelen. Dus bracht ze hen. Remco en hij hebben de hele avond heftig met hun hoofden staan schudden. De volgende dag deed zijn nek pijn. Maar daar had hij natuurlijk niks over gezegd. In de pauze heeft hij die trui gekocht, van zijn zakgeld.
Hij pakt hem uit zijn kast en neemt hem mee naar beneden. Daar pakt hij de strippenkaart, de uitgeprinte reis en zijn mobiel en steekt ze in zijn achterzak. Kijkt nog eens na hoe laat hij weg moet. Doet de tv aan om te zien hoe laat het precies is en zet zijn horloge gelijk. Nog drie minuten.
Zoltan rent naar boven en zoekt gehaast naar het inklapmesje. Hij laat het in zijn achterzak glijden bij de andere spullen. Achteloos doet hij er nog iets bij: een klein glimmend ding. In de gang kijkt hij nog een keer in de spiegel; hij springt hoog op om de rest van zijn lijf te zien. Controleert nog een keer de inhoud van zijn zak.
Het is oké. Hij is oké zo.
Hij moet gaan. Hij gaat.


Ze had een grijze jurk aan met een grijze maillot eronder en lage schoenen. Haar grijze haar zat in een knot op haar hoofd. Ze kwijlde niet, ze hijgde wel.

‘Dag moeder,’ zei mijn moeder veel te hard, ‘kom verder.’

‘Dag oma,’ mompelde ik.

We liepen de gang in. Papa had de koffer al in mijn kamer gezet.

‘Nou,’ zei hij,’daar zijn we dan.’

En dat was zo.

‘Thee?’ vroeg mijn moeder.

Niemand gaf antwoord, dus liep ze naar de keuken. Mijn moeder had alles op een blad gezet: de mooie witte theekopjes met schoteltjes die we nooit gebruikten, de witte suikerpot met de lange lepel en een wit schaaltje met vier bruine koeken erop. Ze liep als eerste naar oma, die lang naar de verschillende
kopjes keek en toen het volste koos. Mijn moeder wilde doorlopen, maar voor het eerst maakte oma geluid sinds ze binnen was. Het was een hard en duidelijk ‘nee’.

Mijn moeder bevroor en oma pakte drie klontjes suiker en liet ze in de thee vallen. Daarna pakte ze twee koeken. De blik van mijn moeder ging naar mijn vader. Hij keek even terug en haalde bijna onzichtbaar zijn schouders op.

Oma blies hard in haar thee. Hij gutste bijna over de rand. Ze doopte een koek in haar thee, te lang: toen haar hand weer omhoog kwam was het onderste stuk van de koek verdwenen. Opgelost in de thee. Oma keek verbaasd naar het verdwenen stuk, maar doopte meteen een nieuw stuk in de thee. Weer te lang.
Ik lachte. Mijn moeder keek me waarschuwend aan.

Voorzichtig tilde ik mijn kop en schotel van het blad. En stak mijn hand uit naar de koeken.

‘Eén,’ siste mijn moeder. ‘Gezellig,’ zei mijn vader en nam een flinke slok. Ik keek naar de thee in mijn kopje alsof er niets anders bestond op de wereld dan dat. Dat moest ik wel doen, want als ik
opkeek zag ik oma en als ik oma zag, dan zag ik de tweede koek in sneltreinvaart in haar thee verdwijnen, terwijl oma zich na elke verdwijning afvroeg waar haar koek was gebleven.

Ik probeerde strak naar beneden te blijven kijken.

Soms keek ik wel eens lachfilms, maar dit was beter: dit was om te stikken, dit was...
‘Valentijn!’ zei mijn vader.

Ik stond op, zette mijn kopje neer en vloog de kamer uit, op weg naar mijn eigen kamer, maar halverwege bedacht ik dat ik daar niet heen kon. Ik schoot de wc in, trok de deur achter me dicht, sloeg mijn hand voor mijn mond en schudde van het lachen.

Eventjes maar. Korter dan ik had verwacht.

Voor de zekerheid dronk ik een slokje water in de keuken.

Mijn moeder stond daar: ze zette net de waterkoker weer aan. Ze was niet kwaad, maar haalde snel haar hand door mijn haar. ‘Da’s de spanning, lieverd,’ zei ze.

Ik snapte niet wat ze bedoelde. Wat oma met die koek deed was niet spannend, maar grappig.
Mijn thee was afgekoeld en ik nam een grote slok.

‘Zal ik je je kamer even laten zien, moeder?’ vroeg mijn vader. ‘Dan kan je wat rusten. Het was een enerverende dag voor je.’

Mijn oma staarde wat voor zich uit. Mijn vader stond op en tikte oma op haar handen.

‘Wat?’ zei oma.

‘Kom,’ zei mijn vader, ‘opstaan.’

Ze stond meteen op en viel bijna om.

‘Geef me maar een arm,’ zei mijn vader. ‘Van zitten naar staan, dat gaat moeilijk hè?’

Voetje voor voetje schuifelden ze naar mijn kamer.

Ik hoorde mijn vaders lage stem.
Oma zei niet veel terug. Na een tijdje kwam mijn vader mijn kamer – oma’s kamer nu – uit en liep naar de keuken, naar mijn moeder, die bezig was met het avondeten. Hij deed de keukendeurdicht: ze wilden samen dingen bespreken. Voor mij was dit het teken dat ik achter de deur moest zien te komen.
Meestal waren ze zo diep in gesprek dat ze me niet betrapten op afluisteren. Ook niet die keer toen mijn vader heel duidelijk zei dat oma hier kwam wonen.

‘Ik kan nu niet meer terug,’ zei hij.

‘Je hebt niet eens met mij overlegd! Ongelofelijk! Soms vraag ik me wel eens af waar je hersens zitten. Je kan niet alleen je gevoel volgen, je moet je hersens gebruiken, daar zijn ze voor!’

‘Ik kon niet anders, schat,’ zei mijn vader. ‘Ze zat daar zo… Ik moest iets doen. En ik weet ook niet of ik dat tehuis,dat Huize ’t Hooge Veld, wel zo...’

Meer hoorde ik niet, die keer. De deurklink ging al naar beneden terwijl mijn vader nog iets tegen mijn moeder zei. Ik moest rennen.
Nu drukte ik mijn oor tegen de deur. Het zou vast weer over oma gaan.

‘Het is maar voor even,’ hoorde ik papa zeggen. ‘Ik ga morgen meteen achter haar plaatsing aan. Ze komt nu vast hoger op de wachtlijst, want we hebben hier in huis eigenlijk geen plek voor haar.’
‘Voor Valentijn is het ook niet goed,’ zei mama, ‘die heeft zijn handen al vol aan zichzelf.’
Ik keek naar mijn handen – ze waren gewoon leeg.
De deur van oma’s kamer, mijn oude kamer, stond op een kier. Er kwam geen enkel geluid uit. Ik sloop de gang door en gluurde door de kier. Oma zat op mijn bureaustoel. Ze staarde naar buiten. Ik begon te tellen hoe lang ze zich helemaal niet bewoog.

Bijna was ik bij tweehonderdvijftig toen ze haar hand optilde en de bovenste la van het bureau opentrok.

Ze keek er even in, deed ’m weer dicht en trok de onderste la open. Daar pakte ze meteen twee indianenpoppetjes uit.

Ze zette ze voor zich op het bureau. Ze draaide zich om naar de muur, keek naar Sitting Bull, toen naar de indianenpoppetjes en zei heel hard: ‘Ugh!’

Contact